Structuur en grenzen stellen

Ik weet wat goed is voor jou.

‘Ze kunnen niet zonder mij’. De lerares die me aankijkt is bloedserieus. Snapt niet dat ik dat niet snap. ‘Ik weet hoe ik ze aan moet pakken. Naar mijn regels luisteren ze. Mijn duidelijke duidelijkheid is hun rempedaal.’

Ze probeert me het zwijgen op te leggen. De scherpe prik van tegenspraak voorkomen. Ik slik mijn aarzeling weg en zeg: ‘ik heb daar serieuze zorgen over. Jij gaat er niet de hele tijd voor ze zijn. Ze gaan andere leraren ontmoeten, andere scholen. Als we het zo georganiseerd hebben dat ze niet zonder jou kunnen dan zitten we op het verkeerde pad. We zetten ze op de leerweg van onafhankelijkheid, niet van afhankelijkheid. Dat moet veranderen.’

‘Klopt niet. Bij die nieuwe leerkracht, die geen grenzen kan stellen wordt er geschopt en geslagen. Die kinderen weten niet waar ze aan toe zijn. En ik kan de rommel opruimen.’

Ze schudt opnieuw haar hoofd. Haar blik: waarom zie jij niet dat ik gelijk heb? Ineens draait ze zich om. Een kind roept haar naam. Ze mompelt ‘sorry’ en loopt gehaast naar het kind toe. De lichaamstaal die ik lees: Ik weet wat goed is voor deze kinderen. Ik heb helemaal geen tijd voor jouw ‘kritische vragen’. Ze buigt zich over een kind in het werkgroepje. Ik zie dat de  andere kinderen elkaar helpen. Dat kan dat vragende kind toch ook?

Ik blijf staan en wacht. Een paar keer kijkt ze op met een blik van: wat doe jij nog daar? Ik blijf haar glimlachend aankijken. Ze zucht diep, duwt een kind weg en loopt op me toe. ‘Wat wil je nou? Is het nog niet duidelijk?’

‘Jawel. Het is me heel duidelijk. We hebben een probleem en jij wilt niet veranderen. Niet anders kijken. Jij hebt mij nodig om door je schild heen te breken. Een kind weet heel goed dat hij iets wel of niet mag doen, maar hij wil weten of jij dat ook vindt. Testen heet dat.’ Ze knikt blij, eindelijk taal die ze begrijpt.

‘Maar ik ga het niet doen. Ik stop ermee. Ik ga niet door jou heenbreken. Mensen veranderen als ze er last van krijgen. Ik weet wat goed is voor mezelf. Ik weet jouw rempedaal. Ik houd niet van die noodstoppen.’ Ik pak mijn rugzak op en doe die op mijn rug. ‘Groei komt van binnenuit.  Als je een plantje in de kas laat groeien en elke dag water geeft leert het plantje niet met de wind omgaan en leert het niet zuinig omgaan met water.’ 

Ze kijkt me verbluft aan. ‘Krijg ik niet nog een kans’, floept ze eruit. ‘Nee. Ik bied duidelijkheid’. Ik groet haar: ‘ik zal het morgen in de groep bekend maken’. Ik draai me om en loop weg. Ik hoor het kind opnieuw roepen. ‘Een lesje in grenzen’ denk ik.

354